Al een jaartje of elf schrijf ik een dagelijkse column voor AD De Dordtenaar. En eh dát is nu eenmaal dé krant van deze regio, die het wel en wee van FC Dordrecht – ja óók in de seizoenen dat die club nog wel eens onder een andere naam opereerde – op de voet volgt. Als dagblad – en zeker als columnist en ‘uithangbord’ daarvan – krijg je op den duur een wat ambivalente (lees malle) relatie met die club. Ik bedoel: we doen als krant altijd keurig verslag van wat er wekelijks op de velden (uit en thuis) gebeurt. We treuren, bekritiseren en mopperen met de supporters mee als het op die groene mat even niet zo lekker draait, maar we maken óók een mooie jubelpagina als het een keertje fijn feestvieren geblazen is.

Ook de ontwikkelingen op bestuurlijk en financieel gebied volgt onze redactie kritisch. En zo kan het wel eens gebeuren dat ze in de directiekamer aan de Krommedijk ‘not amused’ over mij of mijn collega’s zijn. Als het goed gaat, ben je namelijk een graag geziene vriend en feestgenoot, maar even zo vaak ben je de jeukende luis in de pels of de brandende zout op de huid. En zo hóórt het ook te zijn, vind ik.

Ik durf best te stellen dat ik trots ben dat ik in een stad woon waar professioneel voetbal wordt gespeeld. Ik kom ook graag kijken aan de Krommedijk (niet als columnist, maar als liefhebber) en ik ben oprecht blij als het de club voor de wind gaat. Toch ben en blijf ik ook kritisch (dat is namelijk mijn werk), hetgeen me door sommige supporters niet altijd in dank is afgenomen. Zo schreef ik vele jaren geleden over een stadionplan dat, in mijn ogen althans, totaal niet levensvatbaar was. Simpelweg omdat er een ‘gat’ van enkele miljoenen in het begeleidende businessplan zat. Dat gat zou vanzelf worden opgevuld als dat stadion er eenmaal zou zijn; toekomstige investeerders melden zich vanzelf (zo las ik tussen de regels door) in rotten van drie aan de poort zodra de eerste heipaal de grond in ging.

Ik had daar grote twijfels over en dat schreef ik ook op, hetgeen me op een hoop boze berichtjes en zelfs bedreigingen kwam te staan van ‘supporters’ die vonden dat ik die ambitie bewust de grond in boorde. Het is dan moeilijk om uit te leggen dat ik FC Dordrecht van harte een nieuw of mooie gerenoveerd stadion gun, maar dat ik hier toch louter een luchtkasteel zag.

Maar ach… dat stadion komt er vast wel een keer. Wat eerst moet gebeuren is dat FC Dordrecht op ons mooie eiland en in de regio daar omheen, weer een ‘smoel’ en een gunfactor krijgt. Dat kan zomaar eens gaan lukken, want de beleidsmakers van nu willen geen BVO zijn die vanuit een ivoren toren wordt bestierd; ze willen met Energiek Dordt een ‘open huis’ bouwen in zowel letterlijke als figuurlijke zin. In eerste instantie moet FC Dordrecht natuurlijk een plek zijn waar je samen komt om ‘het feest voetbal’ te vieren. Maar FC Dordrecht wil veel méér zijn dan alleen dat een opleidingsinstituut, een ontmoetingsplek en een ‘partner’ met oog vóór en voelsprieten ín de samenleving.

‘Més que un club’ zeggen ze bij Barcelona. En al weet ik dat elke andere vergelijking met dat Catalaanse bolwerk verder volledig mank gaat… het streven om ‘méér dan louter een voetbalclub’ te willen zijn, juich ik van harte toe. Het is volgens mij ook het enige
juiste fundament voor een gezonde toekomst.

Klik hier om deze hele glossy te lezen over Energiek Dordt!